Nochtans heeft niemand ooit een bordje opgehangen met daarop “niet voor meiden”. En toch leren veel meisjes al vroeg dat ze zich anders moeten verhouden tot publieke ruimte dan jongens. Publieke ruimte werkt daarin als een stille opvoeder via een opeenstapeling van kleine ervaringen die zich langzaam vastzetten in je lijf. Een opmerking die blijft hangen, een blik die je onzeker maakt, een groep jongens die vanzelfsprekend het midden van het plein inneemt of een skatepark waar je je bekeken voelt nog voor je een voet op je plank zet.
Voor jongens betekent buiten vaak experimenteren.
Voor meiden betekent buiten vaak navigeren.
Wat “voor iedereen” lijkt, werkt in de praktijk vooral voor wie zich er vanzelf thuis voelt en zich niet hoeft af te vragen of het wel kan. Wat voor meisjes begint als voorzichtigheid, wordt routine en precies daarin schuilt het probleem: we zijn het normaal gaan vinden dat meiden minder zichtbaar zijn op straat, minder blijven hangen, minder sporten in de publieke ruimte. Alsof dat een persoonlijke voorkeur is, terwijl het vaak het resultaat is van jarenlange sociale conditionering. Veel meiden stellen het zelf niet meer in vraag.
We moeten daarom anders durven kijken: niet de meiden moeten weerbaarder worden om in de stad te passen, maar de stad moet veranderen zodat hun aanwezigheid vanzelfsprekend wordt.
Zolang we alleen kijken naar wat zichtbaar is, infrastructuur, aanbod en bereik, missen we wie onzichtbaar blijft: het meisje dat een park mijdt, de tiener die aan de rand blijft staan, de vrouw die haar route aanpast.
Dat is belangrijk om te begrijpen: ongelijkheid zit niet alleen in toegang, maar ook in vanzelfsprekendheid.
En toch noemen we diezelfde ruimtes al snel ‘inclusief’. Inclusie wordt dan al snel een label dat we erop kleven, zonder te onderzoeken wat er echt voor nodig is. Voor mij betekent inclusie geen vanzelfsprekende warme harmonie, maar kiezen voor rechtvaardigheid: soms door de meiden expliciet ruimte te geven, soms door dominante groepen aan te spreken en soms door een sportplek anders te programmeren of een ontwerp opnieuw open te breken.
En ja, dat vraagt ook iets van mannen. Niet als probleem, maar als medevormgevers en bondgenoten die mee verantwoordelijkheid nemen door niet alleen ruimte in te nemen, maar ook ruimte te laten.
Buitengewoon vrouwvriendelijke steden beschouw ik vooral als moedige steden die begrijpen dat inclusie soms betekent dat je ruimte actief moet herverdelen. Dat er niet alleen rekening gehouden wordt met wie aanwezig is, maar ook met wie ontbreekt.
Dus misschien is de kwaliteitstest voor een buitengewoon moedige stad heel eenvoudig.
Kijk naar een plein, een sportveld of het park na schooltijd: zijn er meisjes en vrouwen? Doen ze mee? En nog belangrijker, blijven ze?
Want waar het ecosysteem klopt, verschijnen de otters.